Terugblik op South by South West 2013

South by South West 2013 (SXSW) is voorbij. Mijn jetlag ook, dus ik heb tijd gehad om een en ander te laten bezinken en het in een artikel te gieten. Besef goed dat SXSW zo groot is als tien conferenties bij elkaar. In de vijf dagen in Austin (TX) heb ik dus hele andere sprekers gezien dan de 25.000 andere bezoekers. Dit is daarom mijn geheel subjectieve waarneming. Mijn SXSW was een combinatie van de ontwikkelingen in eHealth, Quantified Self, Big Data, Behavioral Design, Social, Mobile en nog veel meer. Voor gedetailleerde verslagen van specifieke sessies, klik terug in de tijd op dit blog.

eHealth

Sinds een paar jaar heeft het thema eHealth een eigen track op het evenement, met elke dag vele sessies. Wat opvalt is dat de innovatie vooralsnog niet bij de curatieve zorginstellingen vandaan komt, maar uit de preventieve hoek. Ziekenhuizen bijvoorbeeld zijn zelf nog aan het digitaliseren voordat ze aan de patient toekomen, en zijn bovendien aan veel regels en richtlijnen gebonden met betrekking tot patientveiligheid en betrouwbaarheid en veiligheid van medische gegevens. Vernieuwing in zo’n omgeving kost tijd, veel tijd.

We zien de zorgverzekeraars de rol van vernieuwer op zich nemen. Een verzekeraar is namelijk gebaat bij gezonde cliënten. Zo investeert de Amerikaanse verzekeraar Aetna veel geld in producten en diensten die de patiënt en zijn gezondheid centraal stellen. Zoals Zipongo waar consumenten gezonde alternatieven voor de muffin en de hamburger kunnen vinden, en bovendien de kortingsbonnen kunnen downloaden voor een supermarkt in de buurt. Gezond leven hoeft niet duur te zijn, zoals velen denken. Een andere dienst is CarePass, een platform waar cliënten alle data uit hun zogenaamde Quantified Self-apps (Runkeeper, Fatsecret) en -gadgets (FitBit, MyBreath) kunnen bijhouden, om zo gezonder gedrag te stimuleren.

Big Data

Maar lukt dat ook? We genereren weliswaar steeds meer data over onszelf – je kunt bij 23andme.com zelfs een spuugbakje kopen voor 99 dollar, om na zes weken je persoonlijke genoom te ontvangen en te kunnen vergelijken met je online peers om je levensverwachting eventueel bij te stellen. Maar zorgen die Big Data ook dat we ons anders gaan gedragen. Het is een vraag die op een aantal momenten terugkomt op SXSW. Niet alleen in relatie tot gezondheidszorg, maar in het algemeen. Alle apps en gadgets om ons zelf te quantificeren, vragen voor een deel nog steeds input van onszelf en daarmee wilskracht. En die wilskracht is misschien wel het zwakke punt. Tenzij je een sessie bijwoont van BJ Fogg (wat ik deed:). BJ Fogg is een gedragsexpert en oprichter van het Persuasive Technology Lab van Stanford University. Zijn gedragsmodel leert dat je elk gedrag kunt aanleren als je het maar in kleine stapjes doet. In een eerder artikel ga ik hier wat dieper op in.

Big Data dus, belangrijk onderwerp van deze tijd. We verzamelen de data, maar wat gaan we er voor zinnige dingen mee doen. Bedenk kleine diensten die de consument begrijpt. Als bijvoorbeeld de overheid al zijn publieke data vrijgeeft, heeft het niet veel zin om dit direct allemaal ongefilterd op een website te gooien. Sluit aan bij waar de mensen behoefte aan hebben. In Nederland is er bijvoorbeeld het programma Hack de Overheid. De overheid biedt allerlei actuele overheidsdata aan via een open API, een interface waar je als programmeur tegenaan kan ‘praten’. En zo ontstaan allerlei kleine intitatieven als Openkvk, om even snel (gratis!) in de database van de Kamer van Koophandel te grasduinen of Omgevingsalert, waar je een pushnotificatie krijgt als er in jouw buurt een vergunnig wordt aangevraagd voor een verbouwing of een bomenkap, iets wat doorgaans altijd ongemerkt maar ongewild aan je voorbij gaat.

Gadgets, Robots en andere Emerging Technologies

Data verzamelen we ook steeds meer met personal devices. Met de Nike Fuelband registreer je de stappen die je zet en daarmee je calorieverbruik. Met FitBit idem dito. Met MyBasis registreer je daarnaast ook nog je hartslag en je slaapkwaliteit. Met mijn Garmin sporthorloge registreer ik verder nog locatie en snelheid. Maar met je smartphone meet je nog veel meer. In de gemiddelde smartphone zitten inmiddels veertien sensors, van Gyroscope tot Lichtsensor, van GPS tot NFC. As we al die gegevens kunnen combineren, en als we onze apparaten allemaal met NLP en Machine Learning ook signaal van ruis kunnen laten onderscheiden, dan komen we eindelijk eens in die toekomst waar de ijskast onze boodschappen doet, de telefoon vanzelf overgaat als je naar huis moest bellen zodra je bij de supermarkt was, de robot-wereld zeg maar. The Internet of Things noemen we het ook wel. Blijft natuurlijk lastig om een apparaat echt slim te laten zijn. Zo kun je een computer deterministisch leren afleiden wat de kans op regen wordt aan de hand van luchtdruk en temperatuur, maar volgens Jeff Bonforte van Xobni kun je beter kijken naar welk schoeisel de mensen in een specifieke stad die ochtend hebben aangetrokken om te zien of het die dag gaat regenen. Het verschil tussen deterministisch en stochastisch afleiden, kan een computer dat leren?

Aan nieuwe technologie overigens geen gebrek in Austin. De 3D-printers zijn inmiddels draagbaar en ze kunnen gitaren afdrukken en sjaals en schoenen. Je computer kun je binnenkort met gebaren aansturen, zoals Tom Cruise in de film Minority report, dankzij de LeapMotion. Je kunt je schoen tegen je laten praten, zoals een prototype Adidas die in het Google Lab werd ontwikkeld gedurende de week. En uiteraard liepen er übergeeks met een GoogleGlass over straat. Prachtig allemaal, maar het gaat natuurlijk om wat je ermee kunt dat de wereld verbetert, vereenvoudigt. Bij 3D printen kun je bijvoorbeeld denken aan het behoud van archeologische vondsten door een exacte reproductie te maken. Of aan gepersonaliseerde protheses voor mensen die een arm of been moeten missen.

Social Media

Maar kwam Social Media nog wel aan bod op het evenement waar Twitter in 2007 werd gelanceerd? Ja natuurlijk. Als je wilt kun je naar social media presentaties en workshops voor bibliothecarissen, voor koejesfabrieken, voor non-profits, etc. Maar wat ik vooral zag, is hoe social media ‘gewoon’ is geworden. Het is er en het gaat nu om de verdieping, om hoe je ermee omgaat. Lees bijvoorbeeld mijn artikel over hoe je de influencers op social networks bereikt, om je merk te verspreiden onder je doelgroep, en de gevaren die huidige tools met zich meebrengen. Maar het geldt ook voor wetenschappers, die voor een belangrijk deel nog steeds op basis van een 17 eeuws model peer-reviewing doen van wetenschappelijke artikelen. David Weinberger van het Harvard Innovation Lab gooit tegenwoordig een eerste versie van zijn artikel op Google Docs en vraagt collega-wetenschappers via sociale media of ze even willen meekijken. Binnen drie dagen is zijn stuk gereviewd, geredigeerd en zijn de spelfouten eruit gehaald. De kracht van open netwerken wordt hier voor hem goed aangetoond.

Omdat een artikel in een gerennomeerd tijdschrift in de wetenschap nog steeds de norm is voor je kwaliteit als wetenschapper, is dit echter een methode die niet veel collega’s van hem zullen volgen. Daarom heeft promovendus Jason Priem de dienst ImpactStory ontwikkeld, een tool die wetenschappers en andere academici helpt waardering te krijgen voor het bedrijven van wetenschap in een toegankelijke, interactieve online omgeving. In andere woorden voor dingen als bloggen, twitteren, delen van open data en het schrijven van open source software. Zou dit een eerste stap kunnen zijn van ‘papernative’ wetenschap, naar ‘webnative’ wetenschap. We zullen het zien.

Mobile Everything

Mobile is natuurlijk een belangrijk thema. Veel sessie waren echter zo populair dat je er met geen mogelijkheid bij kon. Of het zaaltje was te klein, dat kan ook. Maar voor iedereen is helder dat mobiel geen nieuwigheid is, maar misschien wel het belangrijkste platform om op te focussen. Van mobile health, tot mobile loyalty, mobile money, mobile commerce en mobile search. Het gaat niet meer om apps of sites. Natuurlijk moet alles een optimale interface hebben op een smartphone en heb je voor sommige diensten de hardware van de telefoon nodig en bouw je daarom een app. Maar het gaat dus om die diensten.

Voor Google bijvoorbeeld is de smartphone een belangrijk object van aandacht. De mobiel wordt steeds belangrijker, ook voor Googles diensten. Omdat men steeds meer en steeds vaker mobiel online gaat en dus ook mobiel zoekt, moet de hele zoekervaring onder handen worden genomen. Spraakherkenning wordt belangrijk, maar ook natural language processing. De locatie van een user is ook van belang. Zo kan Google via zijn relatief nieuwe dienst Google Now locatiegebaseerde notificaties sturen. Zoals Amit Singhal, Vice President van Google Search zegt: “The destiny of Google Search is to become the Star Trek Computer” (maar dan in je zak dus:)

En verder?

Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan met wat er allemaal in Austin gebeurde

  • over de ondernemerstijl van Esther Dyson, een ondernemer en angel investor, op dit moment vooral in de Healthsector, maar ook in Spacetech.
  • over het grote denken van Elon Musk, die na PayPal, Tesla Motors en Solar City start en vervolgens in de ruimtevaart stapt en naar Mars wil (net als Dyson overigens:)
  • over Al Gore die de toekomst bekijkt
  • over Bootylog, de app om je bedgeheimen te delen (als onderdeel van een beweging die strijd tegen tienerzwangerschappen)
  • over Qpid.me, waar je de SOA-status van je potentiële bedpartner kunt checken alvorens je materiaal verzamelt voor je BootyLog;)
  • over Grumpy Cat, waar ik oog in oog mee stond, zonder te weten dat het de beroemdste poes van de wereld was. Een uur later stonden permament gedurende vijf dagen 500 man in de rij om met het arme beest op de foto te gaan.

Maar het is teveel voor één artikel. Als je meer wilt weten, zoek in Google op SXSW en filter op de afgelopen week, dan krijg je veel terugblikken. Met take-aways als:

  • Social is inherent to all organizations
  • Technology can democratize services (Over Uber die de taxi-industrie toegankelijk maakt voor de consument)
  • It’s better to have 10 customers who love your product than 100 who like it. Optimize your business toward your most valuable customers.
  • Rather than think about social sharing among your customers, make it easier for customers to use what they are already using. Customer delight will lead to social sharing.

Voor wie nog enkele keynotes wil zien. Oracle heeft er een aantal gesponsord en deze online gezet. Het waren de eerste video’s die ik tegenkwam. Met onder meer Stephen Wolfram en Al Gore.

De tijd is rijp voor investeringen in Health Innovation

De aandacht voor gezondheid en zorg op SXSW wordt elk jaar groter. Omdat sprekers en bezoekers veelal in de zogenaamde Techindustry werkzaam zijn – als ontwikkelaar, investeerder, startup of publicist – gaat de aandacht vaak uit naar allerlei gave technische innovaties. Er zijn inmiddels bijvoorbeeld honderden apps op de markt in de categorie Quantified Self: hou zelf bij hoeveel je eet, loopt, sport, drinkt, slaapt. Veel apps hoef je niet eens aan te raken, die meten vanzelf je bewegingen, zoals bijvoorbeeld Moves. Ook zijn er steeds meer gadgets, zoals de Nike Fuelband en de FitBit. Voor een uitgebreide verzameling van QS-gadgets check deze Pinterest-pagina. Neem daarbij de preoccupatie van ons geeks met social media en daarmee de wens tot meer interactie tussen cliënt en dokter, en je ziet een gapend gat tussen een traditionele, sterk gereguleerde sector en de innovators.

Dus waar hebben we het dan over, hier in Austin? Dat de tijden veranderen. De zorgsector verandert onder invloed van de recessie, de politiek, maar ook van de burger die op een andere manier met zijn gezondheid bezig is of wil zijn. Aetna, een grote Amerikaanse zorgverzekeraar, heeft om die reden een incubator opgezet (Healthagen) die investeert in startups met goede plannen om de zorgsector te vernieuwen. Een daarvan is bijvoorbeeld Medicity, een platform voor de uitwisseling van gezondheidsinformatie. Een tweede is WellMatch, een soort marktplaats voor zorg, waar consumenten  op basis van reviews en beschikbare kortingen kunnen kiezen voor de voor hen juiste zorgaanbieder. Dit wordt hier op zondag gepresenteerd. Veel andere door hen gefinancierde startups bewegen zich in het veld van het al eerder genoemde Quantified Self. Aetna heeft namelijk een platform opgezet – CarePass – waar je als user alle data van je tracking devices kan verzamelen. Je hartslagmeter, je caloriemeter en je stappenteller, allemaal bij elkaar op één plek. Door middel van contests dagen ze developers uit om met deze enorme hoeveelheid data iets nieuws te doen.

Inderdaad: die enorme hoeveelheid data. We registreren van alles en nog wat. Naast bovengenoemde zaken, voeren we ook in wat we eten en drinken in apps als Foodzy en hebben we een weegschaal die elke dag ons actuele gewicht twittert. Maar de grote vraag is: draagt die registratie van ons gedrag ook bij aan onze gezondheid? Die vraag werd beantwoord in een panel, waar ik jammer genoeg niet bij kon zijn. De mensen in de rij wachtenden overtroefden het aantal aanwezigen in het te kleine zaaltje. Het is een vraag overigens die ook door een Nederlandse partij als YouPlus wordt gesteld.

Zoals je ziet: het blijft een beetje ronddraaien in de wereld van de preventieve zorg. Maar volgens de investeerder van Healthagen, Charles Saunders, zijn er een aantal ‘hot areas of innovation voor healthcare’:

  • accountable care enablement
  • consumer engagement
  • population health en it-managament
  • health and wellness 2.0
  • big data

En volgens Saunders is tijd ook rijp, nu overheid en industrie grote stappen nemen in investeringen in Health Tech Innovation. De CTO van the U.S. Department of Health and Human Services doet er alles aan om de markt op te schudden door innovatiesubbsiedies en door samenwerkingen te forceren tussen de private en publieke sector. En wat de industrie betreft: zelfs Mark Zuckerberg, oprichter van Facebook, looft miljoenen uit voor innovatieve ideeën, onder meer met betrekking tot de zorgsector.

En waar het allemaal toe leidt? Hopelijk naar een zorgsector die gebruik maakt van de mogelijkheden van dataverzameling en die inspeelt op de behoefte van meer regie door de patiënt. Het gevolg is wel dat als je tegenwoordig bij de dokter zit, grote kans is dat de dokter een groter deel van het consult op zijn beeldscherm kijkt en aan het typen is, dan dat er een face-to-face-gesprek plaatsvindt. Misschien is dit het gevolg van de beginfase van ehealth, laten we hopen dat dit niet de norm wordt. Zoals Steve Jobs zei: een belangrijk deel van het succes, zo niet, alles hangt af van de user experience. Aan de andere kant, als het leidt tot volledige en beter toegankelijke dossiers, misschien moet die dokter dan lekker blijven typen!

Privacy in the age of Augmented Reality

De snelle technische ontwikkelingen in onder meer gezichtsherkenningssoftware zorgen mogelijkerwijs voor privacy-issues in de nabije toekomst, zo betoogde Alessandro Acquisti, Professor van Carnegie Mellon University. De mogelijke problemen beginnen bij het feit dat iedereen stapels foto’s van zichzelf en anderen online zet. Met name op sociale netwerken. In 2010 werden er per maand 2,5 miljard foto’s geüpload naar Facebook alleen.

En er gebeurt van alles met die foto’s. Vrienden taggen foto’s waar jij op staat met jouw naam. Maar automatisch taggen van foto’s gaat ook een vlucht nemen. Bedenk dat Google, Facebook, Microsoft en Apple allevier meerdere acquisities hebben gedaan in de gezichtsherkennings-technologie en automated tagging (onder meer bedrijven als Neven Vision, Riya, PittPatt, Face.com)

Professor Acquisti heeft diverse experimenten uitgevoerd om te kijken of het haalbaar is (technisch en financieel) om op basis van die mijarden foto’s relaties te leggen tussen verschillende database. De onderzoeksvraag: “Can we combine publicly available social network data with off-the-shelf face recognitiontechnology for the purpose of large-scale, automated,real-time, peer-based individual re-identification.

Experiment 1: Online to online re-identification

In dit eerste experiment neemt hij een selectie van 250.000 foto’s die publiekelijk beschikbaar zijn op Facebook. Hij heeft zich beperkt tot inwoners uit een Noord-Amerikaanse stad. In deze selectie waren 100.000 herkenbare gezichten te onderscheiden. Deze zgn. identified database matchte hij met een unidentified database van een grote datingsite, gefilterd op dezelfde stad. Met behulp van de gezichtsherkenningstechnologie van PittPatt en daarna Amazon’s Mechanical Turk voor een menselijke review van de resultaten, waren 17% van de matches die werden gemaakt ook echt goede matches.

Experiment 2: Offline to online re-identification

Op de Universiteitscampus werden van studenten met een webcam drie foto’s per persoon gemaakt, en direct de cloud ingeschoten. Deze snapshots werden gematcht met de circa 150.000 foto’s die van profielen van Universiteitstudenten afkomstig waren (als ze dat natuurlijk op Facebook hadden ingevuld). Bij deze test was er met dezelfde PrittPatt-software in 31% van de gevallen een match van de webcam-foto met het juiste Facebook-profiel.

Experiment 3: Online matching with information in publicly accesible database

Er werden wederom foto’s gematcht. Anonieme foto’s werden gematcht tegen de databases van LinkedIn en Facebook, maar ook van profielen op sites van bedrijven en organisaties. Daar komt dan een suggestie uit, die wordt geverifieerd aan de hand van je vrienden op Facebook, je demografische gegevens, etc. Vervolgens werd deze informatie met andere databases gecheckt, zodat aan het eind van het experiment anonieme foto’s niet alleen waren voorzien van een naam, maar ook van zaken als het Burger Service Nummer, eventuele kredieten, politieke en sexuele voorkeur, etc. Alles volledig geautomatiseerd.

Conclusie

Het is nu allemaal nog duur, arbeidsintensief, vereist veel computerkracht, maar gezien de technologische ontwikkeltrends zal dit niet lang meer duren. In 10 jaar tijd zal het minder dan 5 minuten kosten voor een match en een paar cent per match voor grotere verzamelingen.Met dat vooruitzicht kun je er angstige ideeën over ontwikkelen, maar ook positievere. Om met de negatieve gevolgen te beginnen: denk eens aan een opstand in een repressief land. Duizenden mensen tegelijk kunnen worden gescand, doorgelicht en op een zwarte lijst worden gezet. Je hebt geen oproerpolitie meer nodig, je kunt de mensen gewoon thuis van hun bed lichten.

Of denk eens aan de commerciële kant ervan voor winkeliers: als ze je gezicht bij binnenkomst weten te fotograferen, dan weten ze binnen vijf minuten precies wat je budget is, wat je uitgavenpatroon is, en dus zullen ze je de maximale prijs vragen die jij nog acceptabel vindt. Gaat nog wat verder dan tracking cookies op internet, nietwaar? Maar als je het gebruik van deze technologie reguleert kan het ook gebruikt worden voor transparantie en controle, bijvoorbeeld om vandalen bij voetbalwedstrijden buiten te houden.

Uiteraard kun je het ook in luchtiger zaken gebruiken. Stel je wordt in een winkelcentrum gescand, je foto wordt gemerged met die van een vriend van Facebook, en dat gephotoshopte gezicht wordt als advertentiemodel gebruikt op de poster waar je net langs loopt. Psychologische tests hebben uitgewezen dat je bij een goede merge, zowel je zelf niet herkent als je vriend, maar onderbewust heb je toch een gevoel van herkenning, waardoor zo’n advertentie je eerder zal aanspreken dan een willekeurig reclamemodel.

ar-lens

Smart contact lens. Via de antenne kan er een wifi-verbinding worden opgezet en zo kan er op de led-pixel informatie worden geprojecteerd over alles wat je voor je ziet.

Wat betekent dit voor de toekomst? Misschien dat gezichten als de geleider tussen online en offline informatie gaan werken, je social media profiel kan dienen als echt identificatiebewijs. We gaan toe naar een situatie van persoonlijk voorspelbare informatie. We zullen vaker een visuele zoekopdracht uitvoeren op basis van een foto van een gezicht (visual facial search). De democratisering van toezichthouden: iedereen kan met eenvoudige applicaties mensen (bezoekers, klanten, etc.) doorlichten. Het klinkt allemaal een beetje futuristisch, maar tien jaar geleden wisten we ook niet dat we echt op straat zouden kunnen videobellen met onze smartphone, of dat we onze computer zouden kunnen besturen met handbewegingen, zoals nu met Leap Motion. En als de Augmented Reality contactlens (zie afbeelding voor een prototype) op de markt komt, kunnen we al wandelend op elk gezicht dat voorbij komt relevante en privacygevoelige informatie projecteren, dankzij de wifi-antenne en het led-schermpje.

 

Digital Health changes Everything..slowly

Zondag op SXSW begon voor mij wederom met een panel over Digital Health. Ditmaal een Canadese club sprekers. Aan tafel naast Brendan Seaton van ITAC HEalth een ICT koepelorganisatie, Al Hildebrandt, founder van QHR, die heel groot wordt in de markt voor electronische patiëntendossiers en Tiffany Terrier van NexJ die onder meer patiëntenportals ontwikkelt vanuit de ‘Patiënt Centraal-gedachte.’

Uitgangspunt voor all drie de panelleden zijn vier trends die de gezondheidszorg de komende tien jaar gaan veranderen:

  1. Mobiele technologie: Je krijgt dokters niet achter een desktop, maar geef ze een iPhone of Tablet en ze zijn om wat betreft de digitalisering van hun werk
  2. De cloud: data moet steeds makkelijker beschikbaar zijn en deelbaar
  3. Social media: opkomst van het consumentisme, persoonlijke patïentendossiers en patiëntportalen
  4. Big Data en Analytics: we creëren nu bergen aan data, die moeten we gebruiken voor research en systeemmanagement.

Als je deze vier ontwikkelingen naast elkaar zet, dan zie je direct welke problemen daarbij voor kunnen komen en dus getackled moeten worden:

  • Privacy-issues: gezondheidsinformatie vinden mensen hun meest prive informatie
  • Security: integriteit van data en beschikbaarheid van data wordt een kritsche factor
  • Veiligheid: healthtechnologie kan helpen om veiligheid te verbeteren, maar kan ook veiligheidsrisico’s introduceren, bijvoorbeeld door bugs in het IT-systeem.

NexJ is naar eigen zeggen al een heel eind om in ieder geval applicaties voor people centered health op de markt te bengen, onder de noemer connected wellness. Ze ontwikkelen zowel een draagbaar patiëntendossier als een patiëntenportaal. Leden van het piortaal kunnen ‘connecten’ met hun gezondheidsinformatie en kunnen het delen met wie zij zelf willen. En via een smartphone-app kun je hulp van je dokter krijgen wanneer je het nodig hebt en waar je ook bent.

Mijn vraag aan het panel was, waar dat persoonlijk patiëntendossier dan vandaan komt. Uit het verhaal van Al Hildebrandt werd namelijk wel duidelijk dat QHR vooral met EPD’s voor instellingen bezig is. Of zoals hij zelf zei: “Onze opdracht is om de dokterskamer te digitaliseren, niet om een persoonlijk patiëntendossier te ontwikkelen, zoals NexJ”. Het feit dat QHR vorige week in Canada een partnership heeft gesloten met McKesson zegt ingewijden genoeg. Maar NexJ werkt dus samen met bedrijven als QHR, om te zorgen dat je als patiënt een kopie van je EPD kunt opvragen dat deelbaar is. Het is alleen nu nog niet mogelijk om eventuele wijzigingen weer terug te schieten in je EPD. Het is de digitale variant van de dossierkopie die ja altijd al kon aanvragen bij je dokter of ziekenhuis. Voordeel nu is dat je het makkelijker kunt delen. Voor iemand die regelmatig diverse zorgverleners bezoekt is dit niet echt heel handig, omdat je na een week alweer een verouderd dossier bij je draagt.

Het zal vast in de toekomst (5 jaar?) mogelijk zijn om een realtime online synchronisatie van je dossier te realiseren. Ondertussen werkt NexJ aan applicaties die aansluiten op hun platform. Bijvoorbeeld voor ‘transitional caremanagement’, gepersonaliseerde en in lekentaal opgestelde zorgplannen en een app voor Diabetes-patiënten. BIj deze app maakt een patiënt een foto van elke maaltijd en beantwoordt een paar standaard vragen (wat voor portie? small/medium/large) – hoeveel calorieën denk je?). Na je maaltijd word je gebeld met een paar vragen (hoe voel je je, wat is je energieniveau, etc). Vervolgens zijn de foto met de antwoorden op de vragen in de cloud beschikbaar voor je zorgcoach. Die kan eventueel contact met je opnemen als jij denkt dat die dubbele Whopper met bacon en extra frites een kleine portie is.

We komen er wel. Met die patient-centered-health. Langzaam, maar gestaag.

Guy Kawasaki interviewt Amit Singhal, VP Google Search

Amit Singhal is Senior Vice President en Google Fellow verantwoordelijk voor Google Search. Uiteraard laat hij niets los over het algoritme dat elke SEO specialist wil ontcijferen. Dit interview gaat daarom over de richting waarin Google denkt voor de continue verbetering van search en met name van de user epxerience. Een kort verslag in de vorm van vraag en antwoord:

Guy: Wat is het effect van mobile devices op Google search?

Amit: We zien dat zoeken altijd doorgaat. Tijdens lunch en dinnertime verplaatst het gebruik van desktop naar mobile search. Uitdaging voor Google is om die mobiele search te optimaliseren. Eenvoudigst is wellicht om te praten tegen je smartphone, maar dat is in een congreszaal toch een beetje raar en irritant voor je buurman. Maar ouderwets een zoekterm intypen en de resultaten opzoeken is ook niet altijd mogelijk. Als je in je auto rijdt, moet er dus ook een alternatief zijn voor op het scherm getoonde resultaten, die je op dat moment niet kunt zien.

Guy: Wat is het effect van Google Plus?

Amit: Google Plus maakt search echt universeel. Alles wat je wlt vinden kan gezocht en gevonden worden. Zowel openbare informatie als je persoonlijke assets. Je foto’s zijn alleen voor jou vindbaar, maar openbare content voor iedereen. Documenten voor jou en degenen met wie je het gedeeld hebt. Google zal deze resultaten blijven optimaliseren voor elke gebruiker.

Guy: Maar toch: hoe kom ik op de eerste resultaatpagina?

Amit: Produceer content van hoge kwaliteit, die waarde toevoegt voor je lezers. Zorg dat je lezers die content echt willen hebben, en je zult geheid hoog ranken in de resultaten.

Guy: Dus zeg je nu dat SEO bullshit is?

Amit: Nee…dat zou betekenen dat ik zeg dat marketing bullshit is. Want SEO is niets anders dan het marketen van je content voor Google. Maar als je doet wat ik hiervoor zei, dan heb je niks anders nodig.

Guy: Hoe staat het met Google Now

Amit: Google Now is als de Star Trek computer, met dit vershcil dat Google Now in staat is of moet zijn om je antwoorden te geven op de vraag die je nog niet gesteld hebt. Als je vlucht vertraagd is, dan krijg je dat gewoon te horen. Dat moet Google je vertellen: dingen die je mote weten moeten automatsich naar je toekomen.

Guy: Als je nu een nieuw bedrijf zou beginnen, wat zou dat zijn?

Amit: Willekeurig welk bedrijf dat de enorme hoeveelheid menselijke kennis ontsluit. Elk bedrijf zou ik kunnen starten dat de hele wereld doorzoekbaar maakt. Maar…dat doe ik al bij Google, dus er is geen noodzaak om dit zelf te beginnen:)

Guy: Wat is de grootste uitdaging voor Google?

Amit: Er zijn verschillende key technologies die nog steeds niet goed zijn opgelost: knowledge graph, speech recognition, natural lanuage understanding. Dit zijn drie grote uitdagingne vooe Google. Knowledge, wat weet de user al. Speech, hoe matchen we dit aan de kennis van de user. Natural language, hoe praten we terug. Maar hij is onder de indruk hoever ze toch al zijn op deze drie vlakken

Guy: Wat zijn nieuwe projecten waar Google aan werkt?

Amit: Een voorbeeld van een nieuw project heeft betrekking op ontwikkelingslanden. Als mensen inontwikkelingslanden al toegang tot internet hebben, dan is dat vaak niet in hun native language. Dus Google investeert zwaar in dingen als Google Translate, zodat deze mensen echt het hele internet kunnen bezoeken en niet alleen dat kleine stukje dat in hun eigen taal is geschreven. Bovendien wordt er in computing power geïnvesteerd, om de resultaten ook daar sneller beschikbaar te hebben

Amit: The destiny of search is to become the Star Trek computer.

The Secret Dangers of Online Influence Marketing

Marketeers zijn in deze tijd van versnipperde aandacht en information overload afhankelijk van een goede socialmedia campagne om aandacht voor hun merk te krijgen. En veelal wordt hierbij gezocht naar online influencers die je boodschap kunnen en willen verspreiden. Maar waar vind je die? Er zijn tools als Klout die iedere socialmedia-gebruiker een score geven. De luie marketeer kiest diegene, die enige relatie met het merk heeft én een hoge Kloutscore, en denkt dat-ie klaar is. Inmiddels zou iedere goede digitale marketeer moeten weten dat dit niet werkt. Klout en Kredscores zijn geen invloedmaten, maar populairiteitsscores. Een onderzoek van Lucelle Consulting in verband met de online marketing voor een virgin brand (een merk dat niet eerder op de markt was) wees zelfs uit dat er geen relatie is tussen de de influence-score en de strength of the repsonse. De correlatie was welgeteld 0,09%.

Waar een marketeer dus naar op zoek moet, zijn echte merkambassadeurs. Als je namelijk 10% van je doelgroep hebt warm gemaakt voor je merk, dan lukt het met hen de rest van de doelgroep geïnteresseerd te maken, zo beweert Ekaterina Walter van Intel (tevens succesvol auteur). Maar die 10% vind je dus niet op basis van hun online scores. Sterker nog: 80 tot 90% van Word-of-Mouth-Marketing komt uit het offline kanaal. En Ekaterina zal het wel weten als lid van de Board of Directors van Word of Mouth Marketing Association (WOMMA). Je zult dus goed moeten zoeken, het is hard werken.

Veel bedrijven denken met een zogenaamde Perk (een voordeeltje) ambassadeurs te creëren. Ik krijg ook met enige regelmaat een aanbieding vanwege een hickup in mijn scores van Klout of Kred of iets dergelijks. Zo’n perk gaat uit van het idee dat je mensen moet betalen om zich te laten verbinden (engagen) aan je beedrijf of merk. Maar helaas blijkt toch dat er geen waardevolle content voortkomt uit betaalde influencers. Echte fans hoe je ook niet te betalen, zegt Walter. Echte fans maak je blij met een rondleiding door het hoofdkwartier van je bedrijf, door een praatje met de CEO.

Bij Intel zoekt Walter dus op een andere manier naar merkambassadeurs. Soms heb je geluk en vind je bij toeval een superfan, zoals onlangs een Canadees, die het Intel-logo groot op zijn rug liet tatoeëren en dat in een droge post op zijn Facebook-wall plaatste. Maar doorgaans moet je er veel tijd in steken. Het gaat bij Intel om de positie van een fan binnen zijn eigen netwerk. Intel zoekt relevante personen met relevante content in een voor Intel relevante context. Ga dus niet zelf een community opstarten, zoek naar bestaande netwerken van mensen, die al bezig zijn met jouw merk. Segmenteer, identficeer en target je bericht gericht. En gebruik vervolgens tools om te zien hoe ver je bericht reist, om te weten of je succesvol bezig bent. En denk erom: veel marketeers zijn op zoek naar grote getallen. Duizenden fans of likes. Maar het gaat niet om de aantallen, het gaat om erom dat je goed kan richten. Wees precies!

Tot slot de quote van de dag, die getuigt van zelfreflectie bij de marketeer, die denkt merkambassadeurs te werven met een onpersoonlijke campagne:

We create campaigns, we don’t create movements. But people want to be part of a movement, of something bigger.

Hoe verander of beïnvloed je gedrag?

BJ Fogg is Director van Stanford Behavior Design Lab. Vandaag gaat-ie ons een crashcourse in gedragsverandering geven. In de sessie wordt geen relatie gelegd met toepassingen in de markt, maar het idee erachter is dat als je menselijk gedrag begrijpt en weet hoe je het kunt beïnvloeden, dan kun je deze kennis ook toepassen voor gewenst gedrag van de gebruiker of klant van je product of dienst .

Gedrag verander je alleen in kleine stapjes. Met overzichtelijke doelstellingen. Als voorbeelden komen elke keer een kikker en een aap voorbij die hun eigen gedrag willen beïnvloeden. Zoals:

  • Kikker neemt zich voor 30 minuten per dag te gaan wandelen vanaf nu.
  • Aap neemt zich voor gedurende de komende vijf dagen 10 minuten per dag te wandelen.

Kikker zal bij de eerste regenachtige dag even stoppen en uiteindelijk de gewoonte om te wandelen zich niet eigen hebben gemaakt. Aap zal over een jaar nog steeds dagelijks wandelen. In de terminologie van Fogg heeft kikker een path uitgezet, terwijl aap een span koos. En aap creëerde zo ‘success momentum‘. Fogg: “If you can design your life with success momentum, you can reach big things”

Fogg vindt verder dat we in verkeerde termen over gedrag praten. In bedrijven wordt vaak gesproken over ‘motiveer gedragsverandering’, waar we zouden moeten spreken over ‘faciliteren van gedragsverandering’. Een andere misvatting is dat je eenvoudig kunt breken met een slechte gewoonte. Het is geen slechte gewoonte, het is een hele complexe knoop van gewoonten, die je stap voor stap kunt ontrafelen om te veranderen.

Wanneer kan gedragsverandering succesvol zijn? Volgens de formule van Fogg: b=mat, oftewel: “Behavior happens when motivation, ability and trigger are there at the same time. Behavior change is systematic.” En omdat het systematisch is, kun je hiervoor je eigen systeem opzetten:

  1. Crispify! Oftewel get super specific about your desired behavior
  2. Design a solution (design your environment en neem babystapjes)
  3. Iterate as needed (practice and revise)

En om te zorgen dat je systeem werkt heeft Fogg ook een paar Behavior Hacks in petto:

Behavior Hack 1: Pick something really easy. Maakt het jezelf niet te moeilijk. Denk aan de reikwijdte en de duur en je eigen mogelijkheden om het gedrag uit te voeren.

Behavior Hack 2: Turn an existing routine into a trigger for new behavior. Denk aan

  • koffie inschenken
  • plassen (na het plassen doe ik twee pushups –> kies een simpele handeling die je 7x per dag wilt doen)
  • bril opzetten

Behavior Hack 3: Celebrate tiny successes (immediately)

In een grafiek heeft Fogg weergegeven wanneer je gedrag waarschijnlijk wel en waarschijnlijk niet zal veranderen. Kortweg moet de verhouding tussen je mogelijkheid en je motivatie ideaal zijn, om een trigger effect te laten hebben.Behavior Model van Fogg

Conclusie:

Leuk om voor jezelf te gebruiken, interessant om te zien hoe je deze wijsheden kunt toepassen in een organisatie of in je klantrelatie. Ik kan me voorstellen dat je bijvoorbeeld bij het online brengen van diensten die eerst door mensen aan een balie of aan de telefoon werden afgehandeld, ook zorgvuldig en stap voor stap te werk moet gaan, om de acceptatiegraad bij je klant te verhogen. Of het nou om verzekeringen gaat of om gezondheidszorg.

Meer informatie over BJ Foggs model is hier te vinden: http://bit.ly/foggbehavior