Categorie archief: social

‘Gratis’ adverteren op Instagram

Instagram is vorig jaar door Facebook gekocht voor een miljard dollar en zal nu geld moeten gaan verdienen. Nadat al eerder was aangekondigd dat het advertentiemodel ook voor hen de kas moet spekken, wordt nu duidelijk hoe dit eruit gaat zien. Instagram staat op het standpunt dat de manier van adverteren op het platform moet passen bij het gebruik door de liefhebbers van het platform. Zoals ze op hun eigen blog schrijven moet advertenties ‘creatief en onderhoudend’ zijn. En als je als gebruiker de advertentie niet wilt zien, kun je hem met een eenvoudige handeling verbergen.

Dit is natuurlijk niet wat merken willen als ze gaan adverteren. Dus komt het er voor hen op neer dat ze ook echt ‘creatief en onderhoudend’ te werk gaan. Dat je hiervoor geen ‘zendtijd’ hoeft in te kopen bij Instagram hebben sommige merken al eerder laten zien. Of het nou met een wedstrijd is, of in de vorm van storytelling: goede content wordt gezien. Hoe grote merken als Mercedes-Benz dit aanpakken, beschreef ik vorige maand op Marketingfacts. Hieronder heb ik nog zeven creatieve voorbeelden op een rij gezet.

Advertenties

Terugblik op South by South West 2013

South by South West 2013 (SXSW) is voorbij. Mijn jetlag ook, dus ik heb tijd gehad om een en ander te laten bezinken en het in een artikel te gieten. Besef goed dat SXSW zo groot is als tien conferenties bij elkaar. In de vijf dagen in Austin (TX) heb ik dus hele andere sprekers gezien dan de 25.000 andere bezoekers. Dit is daarom mijn geheel subjectieve waarneming. Mijn SXSW was een combinatie van de ontwikkelingen in eHealth, Quantified Self, Big Data, Behavioral Design, Social, Mobile en nog veel meer. Voor gedetailleerde verslagen van specifieke sessies, klik terug in de tijd op dit blog.

eHealth

Sinds een paar jaar heeft het thema eHealth een eigen track op het evenement, met elke dag vele sessies. Wat opvalt is dat de innovatie vooralsnog niet bij de curatieve zorginstellingen vandaan komt, maar uit de preventieve hoek. Ziekenhuizen bijvoorbeeld zijn zelf nog aan het digitaliseren voordat ze aan de patient toekomen, en zijn bovendien aan veel regels en richtlijnen gebonden met betrekking tot patientveiligheid en betrouwbaarheid en veiligheid van medische gegevens. Vernieuwing in zo’n omgeving kost tijd, veel tijd.

We zien de zorgverzekeraars de rol van vernieuwer op zich nemen. Een verzekeraar is namelijk gebaat bij gezonde cliënten. Zo investeert de Amerikaanse verzekeraar Aetna veel geld in producten en diensten die de patiënt en zijn gezondheid centraal stellen. Zoals Zipongo waar consumenten gezonde alternatieven voor de muffin en de hamburger kunnen vinden, en bovendien de kortingsbonnen kunnen downloaden voor een supermarkt in de buurt. Gezond leven hoeft niet duur te zijn, zoals velen denken. Een andere dienst is CarePass, een platform waar cliënten alle data uit hun zogenaamde Quantified Self-apps (Runkeeper, Fatsecret) en -gadgets (FitBit, MyBreath) kunnen bijhouden, om zo gezonder gedrag te stimuleren.

Big Data

Maar lukt dat ook? We genereren weliswaar steeds meer data over onszelf – je kunt bij 23andme.com zelfs een spuugbakje kopen voor 99 dollar, om na zes weken je persoonlijke genoom te ontvangen en te kunnen vergelijken met je online peers om je levensverwachting eventueel bij te stellen. Maar zorgen die Big Data ook dat we ons anders gaan gedragen. Het is een vraag die op een aantal momenten terugkomt op SXSW. Niet alleen in relatie tot gezondheidszorg, maar in het algemeen. Alle apps en gadgets om ons zelf te quantificeren, vragen voor een deel nog steeds input van onszelf en daarmee wilskracht. En die wilskracht is misschien wel het zwakke punt. Tenzij je een sessie bijwoont van BJ Fogg (wat ik deed:). BJ Fogg is een gedragsexpert en oprichter van het Persuasive Technology Lab van Stanford University. Zijn gedragsmodel leert dat je elk gedrag kunt aanleren als je het maar in kleine stapjes doet. In een eerder artikel ga ik hier wat dieper op in.

Big Data dus, belangrijk onderwerp van deze tijd. We verzamelen de data, maar wat gaan we er voor zinnige dingen mee doen. Bedenk kleine diensten die de consument begrijpt. Als bijvoorbeeld de overheid al zijn publieke data vrijgeeft, heeft het niet veel zin om dit direct allemaal ongefilterd op een website te gooien. Sluit aan bij waar de mensen behoefte aan hebben. In Nederland is er bijvoorbeeld het programma Hack de Overheid. De overheid biedt allerlei actuele overheidsdata aan via een open API, een interface waar je als programmeur tegenaan kan ‘praten’. En zo ontstaan allerlei kleine intitatieven als Openkvk, om even snel (gratis!) in de database van de Kamer van Koophandel te grasduinen of Omgevingsalert, waar je een pushnotificatie krijgt als er in jouw buurt een vergunnig wordt aangevraagd voor een verbouwing of een bomenkap, iets wat doorgaans altijd ongemerkt maar ongewild aan je voorbij gaat.

Gadgets, Robots en andere Emerging Technologies

Data verzamelen we ook steeds meer met personal devices. Met de Nike Fuelband registreer je de stappen die je zet en daarmee je calorieverbruik. Met FitBit idem dito. Met MyBasis registreer je daarnaast ook nog je hartslag en je slaapkwaliteit. Met mijn Garmin sporthorloge registreer ik verder nog locatie en snelheid. Maar met je smartphone meet je nog veel meer. In de gemiddelde smartphone zitten inmiddels veertien sensors, van Gyroscope tot Lichtsensor, van GPS tot NFC. As we al die gegevens kunnen combineren, en als we onze apparaten allemaal met NLP en Machine Learning ook signaal van ruis kunnen laten onderscheiden, dan komen we eindelijk eens in die toekomst waar de ijskast onze boodschappen doet, de telefoon vanzelf overgaat als je naar huis moest bellen zodra je bij de supermarkt was, de robot-wereld zeg maar. The Internet of Things noemen we het ook wel. Blijft natuurlijk lastig om een apparaat echt slim te laten zijn. Zo kun je een computer deterministisch leren afleiden wat de kans op regen wordt aan de hand van luchtdruk en temperatuur, maar volgens Jeff Bonforte van Xobni kun je beter kijken naar welk schoeisel de mensen in een specifieke stad die ochtend hebben aangetrokken om te zien of het die dag gaat regenen. Het verschil tussen deterministisch en stochastisch afleiden, kan een computer dat leren?

Aan nieuwe technologie overigens geen gebrek in Austin. De 3D-printers zijn inmiddels draagbaar en ze kunnen gitaren afdrukken en sjaals en schoenen. Je computer kun je binnenkort met gebaren aansturen, zoals Tom Cruise in de film Minority report, dankzij de LeapMotion. Je kunt je schoen tegen je laten praten, zoals een prototype Adidas die in het Google Lab werd ontwikkeld gedurende de week. En uiteraard liepen er übergeeks met een GoogleGlass over straat. Prachtig allemaal, maar het gaat natuurlijk om wat je ermee kunt dat de wereld verbetert, vereenvoudigt. Bij 3D printen kun je bijvoorbeeld denken aan het behoud van archeologische vondsten door een exacte reproductie te maken. Of aan gepersonaliseerde protheses voor mensen die een arm of been moeten missen.

Social Media

Maar kwam Social Media nog wel aan bod op het evenement waar Twitter in 2007 werd gelanceerd? Ja natuurlijk. Als je wilt kun je naar social media presentaties en workshops voor bibliothecarissen, voor koejesfabrieken, voor non-profits, etc. Maar wat ik vooral zag, is hoe social media ‘gewoon’ is geworden. Het is er en het gaat nu om de verdieping, om hoe je ermee omgaat. Lees bijvoorbeeld mijn artikel over hoe je de influencers op social networks bereikt, om je merk te verspreiden onder je doelgroep, en de gevaren die huidige tools met zich meebrengen. Maar het geldt ook voor wetenschappers, die voor een belangrijk deel nog steeds op basis van een 17 eeuws model peer-reviewing doen van wetenschappelijke artikelen. David Weinberger van het Harvard Innovation Lab gooit tegenwoordig een eerste versie van zijn artikel op Google Docs en vraagt collega-wetenschappers via sociale media of ze even willen meekijken. Binnen drie dagen is zijn stuk gereviewd, geredigeerd en zijn de spelfouten eruit gehaald. De kracht van open netwerken wordt hier voor hem goed aangetoond.

Omdat een artikel in een gerennomeerd tijdschrift in de wetenschap nog steeds de norm is voor je kwaliteit als wetenschapper, is dit echter een methode die niet veel collega’s van hem zullen volgen. Daarom heeft promovendus Jason Priem de dienst ImpactStory ontwikkeld, een tool die wetenschappers en andere academici helpt waardering te krijgen voor het bedrijven van wetenschap in een toegankelijke, interactieve online omgeving. In andere woorden voor dingen als bloggen, twitteren, delen van open data en het schrijven van open source software. Zou dit een eerste stap kunnen zijn van ‘papernative’ wetenschap, naar ‘webnative’ wetenschap. We zullen het zien.

Mobile Everything

Mobile is natuurlijk een belangrijk thema. Veel sessie waren echter zo populair dat je er met geen mogelijkheid bij kon. Of het zaaltje was te klein, dat kan ook. Maar voor iedereen is helder dat mobiel geen nieuwigheid is, maar misschien wel het belangrijkste platform om op te focussen. Van mobile health, tot mobile loyalty, mobile money, mobile commerce en mobile search. Het gaat niet meer om apps of sites. Natuurlijk moet alles een optimale interface hebben op een smartphone en heb je voor sommige diensten de hardware van de telefoon nodig en bouw je daarom een app. Maar het gaat dus om die diensten.

Voor Google bijvoorbeeld is de smartphone een belangrijk object van aandacht. De mobiel wordt steeds belangrijker, ook voor Googles diensten. Omdat men steeds meer en steeds vaker mobiel online gaat en dus ook mobiel zoekt, moet de hele zoekervaring onder handen worden genomen. Spraakherkenning wordt belangrijk, maar ook natural language processing. De locatie van een user is ook van belang. Zo kan Google via zijn relatief nieuwe dienst Google Now locatiegebaseerde notificaties sturen. Zoals Amit Singhal, Vice President van Google Search zegt: “The destiny of Google Search is to become the Star Trek Computer” (maar dan in je zak dus:)

En verder?

Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan met wat er allemaal in Austin gebeurde

  • over de ondernemerstijl van Esther Dyson, een ondernemer en angel investor, op dit moment vooral in de Healthsector, maar ook in Spacetech.
  • over het grote denken van Elon Musk, die na PayPal, Tesla Motors en Solar City start en vervolgens in de ruimtevaart stapt en naar Mars wil (net als Dyson overigens:)
  • over Al Gore die de toekomst bekijkt
  • over Bootylog, de app om je bedgeheimen te delen (als onderdeel van een beweging die strijd tegen tienerzwangerschappen)
  • over Qpid.me, waar je de SOA-status van je potentiële bedpartner kunt checken alvorens je materiaal verzamelt voor je BootyLog;)
  • over Grumpy Cat, waar ik oog in oog mee stond, zonder te weten dat het de beroemdste poes van de wereld was. Een uur later stonden permament gedurende vijf dagen 500 man in de rij om met het arme beest op de foto te gaan.

Maar het is teveel voor één artikel. Als je meer wilt weten, zoek in Google op SXSW en filter op de afgelopen week, dan krijg je veel terugblikken. Met take-aways als:

  • Social is inherent to all organizations
  • Technology can democratize services (Over Uber die de taxi-industrie toegankelijk maakt voor de consument)
  • It’s better to have 10 customers who love your product than 100 who like it. Optimize your business toward your most valuable customers.
  • Rather than think about social sharing among your customers, make it easier for customers to use what they are already using. Customer delight will lead to social sharing.

Voor wie nog enkele keynotes wil zien. Oracle heeft er een aantal gesponsord en deze online gezet. Het waren de eerste video’s die ik tegenkwam. Met onder meer Stephen Wolfram en Al Gore.

The Secret Dangers of Online Influence Marketing

Marketeers zijn in deze tijd van versnipperde aandacht en information overload afhankelijk van een goede socialmedia campagne om aandacht voor hun merk te krijgen. En veelal wordt hierbij gezocht naar online influencers die je boodschap kunnen en willen verspreiden. Maar waar vind je die? Er zijn tools als Klout die iedere socialmedia-gebruiker een score geven. De luie marketeer kiest diegene, die enige relatie met het merk heeft én een hoge Kloutscore, en denkt dat-ie klaar is. Inmiddels zou iedere goede digitale marketeer moeten weten dat dit niet werkt. Klout en Kredscores zijn geen invloedmaten, maar populairiteitsscores. Een onderzoek van Lucelle Consulting in verband met de online marketing voor een virgin brand (een merk dat niet eerder op de markt was) wees zelfs uit dat er geen relatie is tussen de de influence-score en de strength of the repsonse. De correlatie was welgeteld 0,09%.

Waar een marketeer dus naar op zoek moet, zijn echte merkambassadeurs. Als je namelijk 10% van je doelgroep hebt warm gemaakt voor je merk, dan lukt het met hen de rest van de doelgroep geïnteresseerd te maken, zo beweert Ekaterina Walter van Intel (tevens succesvol auteur). Maar die 10% vind je dus niet op basis van hun online scores. Sterker nog: 80 tot 90% van Word-of-Mouth-Marketing komt uit het offline kanaal. En Ekaterina zal het wel weten als lid van de Board of Directors van Word of Mouth Marketing Association (WOMMA). Je zult dus goed moeten zoeken, het is hard werken.

Veel bedrijven denken met een zogenaamde Perk (een voordeeltje) ambassadeurs te creëren. Ik krijg ook met enige regelmaat een aanbieding vanwege een hickup in mijn scores van Klout of Kred of iets dergelijks. Zo’n perk gaat uit van het idee dat je mensen moet betalen om zich te laten verbinden (engagen) aan je beedrijf of merk. Maar helaas blijkt toch dat er geen waardevolle content voortkomt uit betaalde influencers. Echte fans hoe je ook niet te betalen, zegt Walter. Echte fans maak je blij met een rondleiding door het hoofdkwartier van je bedrijf, door een praatje met de CEO.

Bij Intel zoekt Walter dus op een andere manier naar merkambassadeurs. Soms heb je geluk en vind je bij toeval een superfan, zoals onlangs een Canadees, die het Intel-logo groot op zijn rug liet tatoeëren en dat in een droge post op zijn Facebook-wall plaatste. Maar doorgaans moet je er veel tijd in steken. Het gaat bij Intel om de positie van een fan binnen zijn eigen netwerk. Intel zoekt relevante personen met relevante content in een voor Intel relevante context. Ga dus niet zelf een community opstarten, zoek naar bestaande netwerken van mensen, die al bezig zijn met jouw merk. Segmenteer, identficeer en target je bericht gericht. En gebruik vervolgens tools om te zien hoe ver je bericht reist, om te weten of je succesvol bezig bent. En denk erom: veel marketeers zijn op zoek naar grote getallen. Duizenden fans of likes. Maar het gaat niet om de aantallen, het gaat om erom dat je goed kan richten. Wees precies!

Tot slot de quote van de dag, die getuigt van zelfreflectie bij de marketeer, die denkt merkambassadeurs te werven met een onpersoonlijke campagne:

We create campaigns, we don’t create movements. But people want to be part of a movement, of something bigger.

Wereld Natuur Fonds de echte winnaar van de Social Media Monitor 5

De jaarlijkse Social Media Monitor is vorige week voor de vijfde keer gespresenteerd. Grote winnaar: ING. HIeronder wil ik de vijf topposities herverdelen op basis van de zogenaamde betrokkenheid van de winnaars met hun Facebook-fans. Aanleiding is een artikel dat ik een paar dagen eerder las over de  constatering dat Booking.com het beter doet op social media dan de grote hotelmerken.

Dat is een interessant gegeven, zeker omdat in de reiswereld social media een enorme impact hebben. Reviews en ratings van andere reizigers spelen een belangrijke rol in het koopgedrag van consumenten. Bovendien vindt driekwart van ‘reisresearch’ online plaats. Het onderzoek waarin Booking.com positief  naar voren kwam, heeft met name gekeken naar de aanwezigheid van de merken op Twitter, LinkedIn, Google+, Pinterest en Facebook. Eén van de conclusies: Booking.com is de meest gevolgde travel-site op Facebook.

Bij het lezen van die conclusie kun je net als Teri Ross – een van de reageerders – je vraagtekens zetten bij het nut van dit onderzoek. In haar woorden:

Just because Booking.com is generating more noise on social media doesn’t mean they are generating more revenue or ‘outperforming’ the competition, it just means they are making more noise. Period.

Waar het wél om gaat, is de vraag welk van de onderzochte bedrijven het meest betrokken is bij zijn followers. De Facebook Engagement Index vergelijkt de verschillende merken. En dan blijkt dat van de onderzochte ‘hotelmerken’ Marriot slechts een vijfde van de followers kent ten opzichte van Booking.com, maar wel vier keer zo betrokken is. En wat wil nou het feit: inhoud van engagement-based Facebook-pagina’s worden veel beter gewaardeerd door Facebook’s Edgerank algoritme en verschijnen derhalve vaker in de nieuwsoverzichten van de fans.

Ik heb op basis hiervan eens de winnaars van de laatste Social Media Monitor in de FacebookEngagementIndex-molen gegooid, om te zien wat hieruit volgt. Hoewel de FEI die ik genereerde op dit moment nog slechts vijf dagen terug kijkt, is het toch leuk om de resultaten alvast te bekijken. KLM steekt natuurlijk qua followers torenhoog uit boven de rest. Maar als je kijkt naar de mate van engagement met en door Facebook-fans, dan is het Wereld Natuur Fonds de onbetwiste nummer 1. En laten we wel wezen: Facebook is door zijn omvang op dit moment toch het social platform waar de user-interactie het best kan plaatsvinden.

De top 5 volgens de Social Media Monitor (met puntentotaal)

  1. ING – 89
  2. Vodafone – 84
  3. KLM – 83
  4. Rabobank – 83
  5. WNF – 82

De top 5 op basis van Facebook Engagement (met erachter het Facebook Engagement Index-cijfer ten opzichte van de anderen)

  1. WNF – 207
  2. ING – 129
  3. Rabobank – 62
  4. KLM – 52
  5. Vodafone – 51

Ik zet mijn geld in op het WNF voor een volgende Spinaward!

Kansen voor cultuursector in het nauw

De cultuursector beleeft zware tijden, maar dat weerhoudt de sector er niet van om met innovatieve blik vooruit te kijken. Deze week was ik in Gent op het congres New Technologies for New Audiences. Wat mij opviel was het ongebreidelde enthousiasme waarmee verlichte personen uit de cultuursector kansen zien in de technologische ontwikkelingen om de cultuurbeleving nog beter en persoonlijker te maken.

De interessantste ontwikkeling vond ik het UiTiD van Cultuurnet Vlaanderen. Dit is een dienst die op basis van jouw gedrag – online en offline – en jouw social graph aanbevelingen kan doen voor mooie voorstellingen. Een zogenaamde cultural recommendation engine. We kennen dergelijke diensten al van Amazon, maar het mooie van UiTiD is dat het een webservice is die door alle deelnemende culturele instellingen kan worden geïntegreerd in hun website. Hiermee wordt het voor de cultuurliefhebber mogelijk om zijn profiel op diverse sites steeds verder te verfijnen. Zo kun je aangeven welke voorstellingen je mooi vindt, en welke absoluut niet. Door je sociale profielen te koppelen, telt het gedrag van je online vrienden ook mee. Maar ook kan je aankoopgedrag van tickets worden meegnomen in de optimalisatie van je profiel. Wat volgt is een lijst persoonlijke aanbevelingen die je kunnen verleiden tot meer cultuurconsumptie.

De toename van ‘cultuurconsumptie’ of het vergroten of verbreden van je publiek is ook het uitgangspunt van Audiences Europe Network dat een serie congressen organiseert in Europa. Zelf was ik uitgenodigd als keynote-spreker om een algemener verhaal te houden over de mechanismen achter het succes van sociale media, en hoe de cultursector dit in haar voordeel kan aanwenden. Zie hieronder mijn presentatie. Een artikel over hetzelfde onderwerp verscheen eerder dit jaar in het kwartaaltijdschrift Boekman 87, en is online nog na te lezen.

Wil je me ook nog in het echt zien spreken, hier is mijn keynote in een video-opname in twee delen

  • Deel 1 (11 minuten, zonder audio in de laatste minuut)
  • Deel 2  (40 minuten)

11 Maanden cashen of de crowd mobiliseren?

Vanavond las ik in een tweet van Marina van Dongen dat staatssecretaris Zijlstra op het Cultuurcongres in het Scheepvaartmuseum Erwin Olaf als lichtend voorbeeld gaf voor de Kunstsector Nieuwe Stijl.

Mooi bedacht, maar wat als je geen commerciële kunst kan of wil maken, maar wel een prachtig idee hebt dat uitgevoerd moet worden? Crowdfunding is daarvoor een van de oplossingen. Met het principe van crowdfunding wordt doorgaans bedoeld dat je de kosten van je (artistieke) project door een grote groep ‘investeerders’ dekt.

Voor Erwin Blom is crowdfunding “meer dan financiering, het is een andere manier van met je publiek of je klanten omgaan. Betrokkenheid creëren, banden aanhalen. Maar het is ook een manier van marktonderzoek. Uitvinden of er behoefte is aan wat je wilt gaan maken. Of laten zien dat je niet de enige bent die in je plan of product gelooft. Om met de aantoonbare belangstelling andere financiers te zoeken en vinden.”

In een serie van 28 blogposts laat Erwin de vele kansen en mogelijkheden van crowdfunding de revue passeren. Van Sellaband en Cinecrowd tot VoorDeKunst. Een must-read voor wie zich in het onderwerp wil verdiepen. En dat is niet alles: deze serie is een opwarmer voor het Kickstart Crowdfunding Event op 23 november in Amsterdam, waar je van betrokkenen zelf hoort wat de do’s en dont’s zijn van deze manier van financiering. Crowdfunding: het geld ligt voor het oprapen!

Het is de zorg een zorg

Zorg 2.0 is onder internetprofessionals al bijna een stoffige term, maar in de zorgsector zijn er slechts enkelen die het belang van een patiëntgerichte tweeweg-communicatie inzien. Vorige week publiceerde de artsenfederatie KNMG een Handreiking voor het gebruik van Social Media door artsen’, een voorzet voor een socialmedia-beleid dat zorginstellingen kunnen instellen. De KNMG maakt zich sinds de oprichting in 1849 sterk voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening van artsen, en het is dus prachtig om te zien dat het gebruik van sociale media nu ook wordt bijgevoegd in het rijtje Meldcode Kindermishandeling, Steun en Consultatie bij Euthanasie en Beroepsgeheim&Politie/Justitie.

Maar is de zorgsector al zover? Ik vraag het me af. Natuurlijk zijn er mensen als Lucien Engelen en instellingen als het Radboud Ziekenhuis, die er alles aan doen om de patiënt centraal te stellen en de bewezen technieken van social media toepassen in de dagelijkse praktijk. Maar net zo vaak kom je het tegenovergestelde tegen. In de tweets van Lucien verbaast hij zich er vrijwel dagelijks over. Zelf heb ik in gesprekken met een aantal specialisten van diverse ziekenhuizen ook gemerkt dat er meer krachten spelen dan alleen de wens om klantgericht te opereren (om het maar eens plastich te benoemen:)

Twee voorbeelden om dit te illustreren:

  1. Op mijn vraag of het niet een mooie geste zou zijn om patiënten de mogelijkheid te bieden per e-mail contact te zoeken met zijn specialist, was het antwoord: ‘Nee joh, dan zit ik de hele dag te e-mailen’. Dat eventueel de acht telefonistes die nu vragen van patiënten beantwoorden en soms op briefjes (papier!) aan hem doorspelen, dit ook voor een deel voor hun rekening zouden kunnen nemen, kwam niet in hem op. Een andere specialist zei dat-ie dat alleen toestond voor ‘CEO’s en dergelijke die veel op reis zijn, en even mail-contact willen vanuit de USA.’
  2. Een voorstel om de voorlichting die nu in zaaltjes in het ziekenhuis aan een beperkt aantal geïnteresseerden wordt gegeven (ook) online te brengen, bijvoorbeeld met een videostream en interactiemogelijkheden voor de kijker, werd op zich goed ontvangen. Het potentiële bereik is groter, de deelname laagdrempeliger. Waarom de neuroloog in kwestie het toch niet zou doen, was de mores van de orde van neurologen. Wie was híj om te denken dat hij online een beetje goede sier kon maken met de specialistische kennis van het vakgebied. Iedereen weet dat er maar één de beste neuroloog was, en dat was hij in ieder geval niet.

Angst voor het onbekende, angst voor de vakgenoten, en de onzekere factor van de patiënt die opeens wel heel dichtbij komt als ze terug kunnen praten, lijken op dit moment hogere drempels dan we als voorvechters van Zorg 2.0 kunnen overzien. Dan is een handreiking van de KNMG een goed begin, maar bij nadere inspectie is het de volle 19 pagina’s een vertaling naar Twitter van de gedragscode die artsen offline sowieso al hanteren.