Categorie archief: zorg

Terugblik op South by South West 2013

South by South West 2013 (SXSW) is voorbij. Mijn jetlag ook, dus ik heb tijd gehad om een en ander te laten bezinken en het in een artikel te gieten. Besef goed dat SXSW zo groot is als tien conferenties bij elkaar. In de vijf dagen in Austin (TX) heb ik dus hele andere sprekers gezien dan de 25.000 andere bezoekers. Dit is daarom mijn geheel subjectieve waarneming. Mijn SXSW was een combinatie van de ontwikkelingen in eHealth, Quantified Self, Big Data, Behavioral Design, Social, Mobile en nog veel meer. Voor gedetailleerde verslagen van specifieke sessies, klik terug in de tijd op dit blog.

eHealth

Sinds een paar jaar heeft het thema eHealth een eigen track op het evenement, met elke dag vele sessies. Wat opvalt is dat de innovatie vooralsnog niet bij de curatieve zorginstellingen vandaan komt, maar uit de preventieve hoek. Ziekenhuizen bijvoorbeeld zijn zelf nog aan het digitaliseren voordat ze aan de patient toekomen, en zijn bovendien aan veel regels en richtlijnen gebonden met betrekking tot patientveiligheid en betrouwbaarheid en veiligheid van medische gegevens. Vernieuwing in zo’n omgeving kost tijd, veel tijd.

We zien de zorgverzekeraars de rol van vernieuwer op zich nemen. Een verzekeraar is namelijk gebaat bij gezonde cliënten. Zo investeert de Amerikaanse verzekeraar Aetna veel geld in producten en diensten die de patiënt en zijn gezondheid centraal stellen. Zoals Zipongo waar consumenten gezonde alternatieven voor de muffin en de hamburger kunnen vinden, en bovendien de kortingsbonnen kunnen downloaden voor een supermarkt in de buurt. Gezond leven hoeft niet duur te zijn, zoals velen denken. Een andere dienst is CarePass, een platform waar cliënten alle data uit hun zogenaamde Quantified Self-apps (Runkeeper, Fatsecret) en -gadgets (FitBit, MyBreath) kunnen bijhouden, om zo gezonder gedrag te stimuleren.

Big Data

Maar lukt dat ook? We genereren weliswaar steeds meer data over onszelf – je kunt bij 23andme.com zelfs een spuugbakje kopen voor 99 dollar, om na zes weken je persoonlijke genoom te ontvangen en te kunnen vergelijken met je online peers om je levensverwachting eventueel bij te stellen. Maar zorgen die Big Data ook dat we ons anders gaan gedragen. Het is een vraag die op een aantal momenten terugkomt op SXSW. Niet alleen in relatie tot gezondheidszorg, maar in het algemeen. Alle apps en gadgets om ons zelf te quantificeren, vragen voor een deel nog steeds input van onszelf en daarmee wilskracht. En die wilskracht is misschien wel het zwakke punt. Tenzij je een sessie bijwoont van BJ Fogg (wat ik deed:). BJ Fogg is een gedragsexpert en oprichter van het Persuasive Technology Lab van Stanford University. Zijn gedragsmodel leert dat je elk gedrag kunt aanleren als je het maar in kleine stapjes doet. In een eerder artikel ga ik hier wat dieper op in.

Big Data dus, belangrijk onderwerp van deze tijd. We verzamelen de data, maar wat gaan we er voor zinnige dingen mee doen. Bedenk kleine diensten die de consument begrijpt. Als bijvoorbeeld de overheid al zijn publieke data vrijgeeft, heeft het niet veel zin om dit direct allemaal ongefilterd op een website te gooien. Sluit aan bij waar de mensen behoefte aan hebben. In Nederland is er bijvoorbeeld het programma Hack de Overheid. De overheid biedt allerlei actuele overheidsdata aan via een open API, een interface waar je als programmeur tegenaan kan ‘praten’. En zo ontstaan allerlei kleine intitatieven als Openkvk, om even snel (gratis!) in de database van de Kamer van Koophandel te grasduinen of Omgevingsalert, waar je een pushnotificatie krijgt als er in jouw buurt een vergunnig wordt aangevraagd voor een verbouwing of een bomenkap, iets wat doorgaans altijd ongemerkt maar ongewild aan je voorbij gaat.

Gadgets, Robots en andere Emerging Technologies

Data verzamelen we ook steeds meer met personal devices. Met de Nike Fuelband registreer je de stappen die je zet en daarmee je calorieverbruik. Met FitBit idem dito. Met MyBasis registreer je daarnaast ook nog je hartslag en je slaapkwaliteit. Met mijn Garmin sporthorloge registreer ik verder nog locatie en snelheid. Maar met je smartphone meet je nog veel meer. In de gemiddelde smartphone zitten inmiddels veertien sensors, van Gyroscope tot Lichtsensor, van GPS tot NFC. As we al die gegevens kunnen combineren, en als we onze apparaten allemaal met NLP en Machine Learning ook signaal van ruis kunnen laten onderscheiden, dan komen we eindelijk eens in die toekomst waar de ijskast onze boodschappen doet, de telefoon vanzelf overgaat als je naar huis moest bellen zodra je bij de supermarkt was, de robot-wereld zeg maar. The Internet of Things noemen we het ook wel. Blijft natuurlijk lastig om een apparaat echt slim te laten zijn. Zo kun je een computer deterministisch leren afleiden wat de kans op regen wordt aan de hand van luchtdruk en temperatuur, maar volgens Jeff Bonforte van Xobni kun je beter kijken naar welk schoeisel de mensen in een specifieke stad die ochtend hebben aangetrokken om te zien of het die dag gaat regenen. Het verschil tussen deterministisch en stochastisch afleiden, kan een computer dat leren?

Aan nieuwe technologie overigens geen gebrek in Austin. De 3D-printers zijn inmiddels draagbaar en ze kunnen gitaren afdrukken en sjaals en schoenen. Je computer kun je binnenkort met gebaren aansturen, zoals Tom Cruise in de film Minority report, dankzij de LeapMotion. Je kunt je schoen tegen je laten praten, zoals een prototype Adidas die in het Google Lab werd ontwikkeld gedurende de week. En uiteraard liepen er übergeeks met een GoogleGlass over straat. Prachtig allemaal, maar het gaat natuurlijk om wat je ermee kunt dat de wereld verbetert, vereenvoudigt. Bij 3D printen kun je bijvoorbeeld denken aan het behoud van archeologische vondsten door een exacte reproductie te maken. Of aan gepersonaliseerde protheses voor mensen die een arm of been moeten missen.

Social Media

Maar kwam Social Media nog wel aan bod op het evenement waar Twitter in 2007 werd gelanceerd? Ja natuurlijk. Als je wilt kun je naar social media presentaties en workshops voor bibliothecarissen, voor koejesfabrieken, voor non-profits, etc. Maar wat ik vooral zag, is hoe social media ‘gewoon’ is geworden. Het is er en het gaat nu om de verdieping, om hoe je ermee omgaat. Lees bijvoorbeeld mijn artikel over hoe je de influencers op social networks bereikt, om je merk te verspreiden onder je doelgroep, en de gevaren die huidige tools met zich meebrengen. Maar het geldt ook voor wetenschappers, die voor een belangrijk deel nog steeds op basis van een 17 eeuws model peer-reviewing doen van wetenschappelijke artikelen. David Weinberger van het Harvard Innovation Lab gooit tegenwoordig een eerste versie van zijn artikel op Google Docs en vraagt collega-wetenschappers via sociale media of ze even willen meekijken. Binnen drie dagen is zijn stuk gereviewd, geredigeerd en zijn de spelfouten eruit gehaald. De kracht van open netwerken wordt hier voor hem goed aangetoond.

Omdat een artikel in een gerennomeerd tijdschrift in de wetenschap nog steeds de norm is voor je kwaliteit als wetenschapper, is dit echter een methode die niet veel collega’s van hem zullen volgen. Daarom heeft promovendus Jason Priem de dienst ImpactStory ontwikkeld, een tool die wetenschappers en andere academici helpt waardering te krijgen voor het bedrijven van wetenschap in een toegankelijke, interactieve online omgeving. In andere woorden voor dingen als bloggen, twitteren, delen van open data en het schrijven van open source software. Zou dit een eerste stap kunnen zijn van ‘papernative’ wetenschap, naar ‘webnative’ wetenschap. We zullen het zien.

Mobile Everything

Mobile is natuurlijk een belangrijk thema. Veel sessie waren echter zo populair dat je er met geen mogelijkheid bij kon. Of het zaaltje was te klein, dat kan ook. Maar voor iedereen is helder dat mobiel geen nieuwigheid is, maar misschien wel het belangrijkste platform om op te focussen. Van mobile health, tot mobile loyalty, mobile money, mobile commerce en mobile search. Het gaat niet meer om apps of sites. Natuurlijk moet alles een optimale interface hebben op een smartphone en heb je voor sommige diensten de hardware van de telefoon nodig en bouw je daarom een app. Maar het gaat dus om die diensten.

Voor Google bijvoorbeeld is de smartphone een belangrijk object van aandacht. De mobiel wordt steeds belangrijker, ook voor Googles diensten. Omdat men steeds meer en steeds vaker mobiel online gaat en dus ook mobiel zoekt, moet de hele zoekervaring onder handen worden genomen. Spraakherkenning wordt belangrijk, maar ook natural language processing. De locatie van een user is ook van belang. Zo kan Google via zijn relatief nieuwe dienst Google Now locatiegebaseerde notificaties sturen. Zoals Amit Singhal, Vice President van Google Search zegt: “The destiny of Google Search is to become the Star Trek Computer” (maar dan in je zak dus:)

En verder?

Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan met wat er allemaal in Austin gebeurde

  • over de ondernemerstijl van Esther Dyson, een ondernemer en angel investor, op dit moment vooral in de Healthsector, maar ook in Spacetech.
  • over het grote denken van Elon Musk, die na PayPal, Tesla Motors en Solar City start en vervolgens in de ruimtevaart stapt en naar Mars wil (net als Dyson overigens:)
  • over Al Gore die de toekomst bekijkt
  • over Bootylog, de app om je bedgeheimen te delen (als onderdeel van een beweging die strijd tegen tienerzwangerschappen)
  • over Qpid.me, waar je de SOA-status van je potentiële bedpartner kunt checken alvorens je materiaal verzamelt voor je BootyLog;)
  • over Grumpy Cat, waar ik oog in oog mee stond, zonder te weten dat het de beroemdste poes van de wereld was. Een uur later stonden permament gedurende vijf dagen 500 man in de rij om met het arme beest op de foto te gaan.

Maar het is teveel voor één artikel. Als je meer wilt weten, zoek in Google op SXSW en filter op de afgelopen week, dan krijg je veel terugblikken. Met take-aways als:

  • Social is inherent to all organizations
  • Technology can democratize services (Over Uber die de taxi-industrie toegankelijk maakt voor de consument)
  • It’s better to have 10 customers who love your product than 100 who like it. Optimize your business toward your most valuable customers.
  • Rather than think about social sharing among your customers, make it easier for customers to use what they are already using. Customer delight will lead to social sharing.

Voor wie nog enkele keynotes wil zien. Oracle heeft er een aantal gesponsord en deze online gezet. Het waren de eerste video’s die ik tegenkwam. Met onder meer Stephen Wolfram en Al Gore.

De tijd is rijp voor investeringen in Health Innovation

De aandacht voor gezondheid en zorg op SXSW wordt elk jaar groter. Omdat sprekers en bezoekers veelal in de zogenaamde Techindustry werkzaam zijn – als ontwikkelaar, investeerder, startup of publicist – gaat de aandacht vaak uit naar allerlei gave technische innovaties. Er zijn inmiddels bijvoorbeeld honderden apps op de markt in de categorie Quantified Self: hou zelf bij hoeveel je eet, loopt, sport, drinkt, slaapt. Veel apps hoef je niet eens aan te raken, die meten vanzelf je bewegingen, zoals bijvoorbeeld Moves. Ook zijn er steeds meer gadgets, zoals de Nike Fuelband en de FitBit. Voor een uitgebreide verzameling van QS-gadgets check deze Pinterest-pagina. Neem daarbij de preoccupatie van ons geeks met social media en daarmee de wens tot meer interactie tussen cliënt en dokter, en je ziet een gapend gat tussen een traditionele, sterk gereguleerde sector en de innovators.

Dus waar hebben we het dan over, hier in Austin? Dat de tijden veranderen. De zorgsector verandert onder invloed van de recessie, de politiek, maar ook van de burger die op een andere manier met zijn gezondheid bezig is of wil zijn. Aetna, een grote Amerikaanse zorgverzekeraar, heeft om die reden een incubator opgezet (Healthagen) die investeert in startups met goede plannen om de zorgsector te vernieuwen. Een daarvan is bijvoorbeeld Medicity, een platform voor de uitwisseling van gezondheidsinformatie. Een tweede is WellMatch, een soort marktplaats voor zorg, waar consumenten  op basis van reviews en beschikbare kortingen kunnen kiezen voor de voor hen juiste zorgaanbieder. Dit wordt hier op zondag gepresenteerd. Veel andere door hen gefinancierde startups bewegen zich in het veld van het al eerder genoemde Quantified Self. Aetna heeft namelijk een platform opgezet – CarePass – waar je als user alle data van je tracking devices kan verzamelen. Je hartslagmeter, je caloriemeter en je stappenteller, allemaal bij elkaar op één plek. Door middel van contests dagen ze developers uit om met deze enorme hoeveelheid data iets nieuws te doen.

Inderdaad: die enorme hoeveelheid data. We registreren van alles en nog wat. Naast bovengenoemde zaken, voeren we ook in wat we eten en drinken in apps als Foodzy en hebben we een weegschaal die elke dag ons actuele gewicht twittert. Maar de grote vraag is: draagt die registratie van ons gedrag ook bij aan onze gezondheid? Die vraag werd beantwoord in een panel, waar ik jammer genoeg niet bij kon zijn. De mensen in de rij wachtenden overtroefden het aantal aanwezigen in het te kleine zaaltje. Het is een vraag overigens die ook door een Nederlandse partij als YouPlus wordt gesteld.

Zoals je ziet: het blijft een beetje ronddraaien in de wereld van de preventieve zorg. Maar volgens de investeerder van Healthagen, Charles Saunders, zijn er een aantal ‘hot areas of innovation voor healthcare’:

  • accountable care enablement
  • consumer engagement
  • population health en it-managament
  • health and wellness 2.0
  • big data

En volgens Saunders is tijd ook rijp, nu overheid en industrie grote stappen nemen in investeringen in Health Tech Innovation. De CTO van the U.S. Department of Health and Human Services doet er alles aan om de markt op te schudden door innovatiesubbsiedies en door samenwerkingen te forceren tussen de private en publieke sector. En wat de industrie betreft: zelfs Mark Zuckerberg, oprichter van Facebook, looft miljoenen uit voor innovatieve ideeën, onder meer met betrekking tot de zorgsector.

En waar het allemaal toe leidt? Hopelijk naar een zorgsector die gebruik maakt van de mogelijkheden van dataverzameling en die inspeelt op de behoefte van meer regie door de patiënt. Het gevolg is wel dat als je tegenwoordig bij de dokter zit, grote kans is dat de dokter een groter deel van het consult op zijn beeldscherm kijkt en aan het typen is, dan dat er een face-to-face-gesprek plaatsvindt. Misschien is dit het gevolg van de beginfase van ehealth, laten we hopen dat dit niet de norm wordt. Zoals Steve Jobs zei: een belangrijk deel van het succes, zo niet, alles hangt af van de user experience. Aan de andere kant, als het leidt tot volledige en beter toegankelijke dossiers, misschien moet die dokter dan lekker blijven typen!

Digital Health changes Everything..slowly

Zondag op SXSW begon voor mij wederom met een panel over Digital Health. Ditmaal een Canadese club sprekers. Aan tafel naast Brendan Seaton van ITAC HEalth een ICT koepelorganisatie, Al Hildebrandt, founder van QHR, die heel groot wordt in de markt voor electronische patiëntendossiers en Tiffany Terrier van NexJ die onder meer patiëntenportals ontwikkelt vanuit de ‘Patiënt Centraal-gedachte.’

Uitgangspunt voor all drie de panelleden zijn vier trends die de gezondheidszorg de komende tien jaar gaan veranderen:

  1. Mobiele technologie: Je krijgt dokters niet achter een desktop, maar geef ze een iPhone of Tablet en ze zijn om wat betreft de digitalisering van hun werk
  2. De cloud: data moet steeds makkelijker beschikbaar zijn en deelbaar
  3. Social media: opkomst van het consumentisme, persoonlijke patïentendossiers en patiëntportalen
  4. Big Data en Analytics: we creëren nu bergen aan data, die moeten we gebruiken voor research en systeemmanagement.

Als je deze vier ontwikkelingen naast elkaar zet, dan zie je direct welke problemen daarbij voor kunnen komen en dus getackled moeten worden:

  • Privacy-issues: gezondheidsinformatie vinden mensen hun meest prive informatie
  • Security: integriteit van data en beschikbaarheid van data wordt een kritsche factor
  • Veiligheid: healthtechnologie kan helpen om veiligheid te verbeteren, maar kan ook veiligheidsrisico’s introduceren, bijvoorbeeld door bugs in het IT-systeem.

NexJ is naar eigen zeggen al een heel eind om in ieder geval applicaties voor people centered health op de markt te bengen, onder de noemer connected wellness. Ze ontwikkelen zowel een draagbaar patiëntendossier als een patiëntenportaal. Leden van het piortaal kunnen ‘connecten’ met hun gezondheidsinformatie en kunnen het delen met wie zij zelf willen. En via een smartphone-app kun je hulp van je dokter krijgen wanneer je het nodig hebt en waar je ook bent.

Mijn vraag aan het panel was, waar dat persoonlijk patiëntendossier dan vandaan komt. Uit het verhaal van Al Hildebrandt werd namelijk wel duidelijk dat QHR vooral met EPD’s voor instellingen bezig is. Of zoals hij zelf zei: “Onze opdracht is om de dokterskamer te digitaliseren, niet om een persoonlijk patiëntendossier te ontwikkelen, zoals NexJ”. Het feit dat QHR vorige week in Canada een partnership heeft gesloten met McKesson zegt ingewijden genoeg. Maar NexJ werkt dus samen met bedrijven als QHR, om te zorgen dat je als patiënt een kopie van je EPD kunt opvragen dat deelbaar is. Het is alleen nu nog niet mogelijk om eventuele wijzigingen weer terug te schieten in je EPD. Het is de digitale variant van de dossierkopie die ja altijd al kon aanvragen bij je dokter of ziekenhuis. Voordeel nu is dat je het makkelijker kunt delen. Voor iemand die regelmatig diverse zorgverleners bezoekt is dit niet echt heel handig, omdat je na een week alweer een verouderd dossier bij je draagt.

Het zal vast in de toekomst (5 jaar?) mogelijk zijn om een realtime online synchronisatie van je dossier te realiseren. Ondertussen werkt NexJ aan applicaties die aansluiten op hun platform. Bijvoorbeeld voor ‘transitional caremanagement’, gepersonaliseerde en in lekentaal opgestelde zorgplannen en een app voor Diabetes-patiënten. BIj deze app maakt een patiënt een foto van elke maaltijd en beantwoordt een paar standaard vragen (wat voor portie? small/medium/large) – hoeveel calorieën denk je?). Na je maaltijd word je gebeld met een paar vragen (hoe voel je je, wat is je energieniveau, etc). Vervolgens zijn de foto met de antwoorden op de vragen in de cloud beschikbaar voor je zorgcoach. Die kan eventueel contact met je opnemen als jij denkt dat die dubbele Whopper met bacon en extra frites een kleine portie is.

We komen er wel. Met die patient-centered-health. Langzaam, maar gestaag.

Patiëntportalen: wordt het nog wat?

Velen van ons denken dat een grotere rol van de patiënt in zijn eigen zorgproces belangrijk is en bijdraagt aan effectieve zorg. Het is daarom eigenlijk raar dat patiëntportalen nog niet gemeengoed zijn. Een patiëntportaal zou het makkelijker moeten maken voor zowel de patiënten als de zorgverleners om inzicht in de eigen situatie te krijgen en om de communicatie te moderniseren tussen patiënten en zorgverleners en tussen zorgeverleners onderling. Of zoals Marleen de Mul van iBMG het afgelopen woensdag op zei op een Nictiz-seminar over dit onderwerp: “Portalen zijn vehikels voor geïntegreerde en gepersonaliseerde zorg.”

Een patiëntportaal is een online toegangspoort die de patiënt via meerdere websites en/of functionaliteiten regie geeft bij het vergaren en delen van informatie over zijn gezondheid

Het iBMG doet onderzoek naar de ontwikkeling van regionale zorgportalen, en tijdens het seminar ‘Patiëntportalen, van beleid naar praktijk….en weer terug’ kreeg ik voldoende inzicht om te concluderen dat we niet alleen aan het begin staan van dit soort eHealth-toepassingen, maar dat het volgens mij ook nog heel lang gaat duren voordat hier standaarden voor zijn ontwikkeld. De reden? Een aantal uitspraken van De Mul waar deze gedachte uit voortkomt:

  • Portaalontwikkeling is een politiek proces’
  • Complexiteit van portalen ligt op veel vlakken, om te beginnen op de vraag: ‘Wie is de eigenaar?’
  • Gezamenlijke ontwikkeling is duur en traag
  • Gegevensuitwisseling tussen instellingen heeft prioriteit
  • Regiovisie op integrale zorg is nodig voor we portalen gaan ontwikkelen

Prachtig! We vinden het belangrijk dat de patiënt een deel van de regie over zijn eigen gezondheid en zorgproces krijgt, maar tegelijkertijd zien we die patiënt niet terug in de onderzoeken van bijvoorbeeld iBMG. De ‘Regio’ is hier het leitmotiv. “De regio” hoor ik u denken, “hoe vaag wil je het hebben?”. Laten we die patiënt nu óók eens betrekken bij de ontwikkeling van portalen. Om hém ging het toch? Marcel Heldoorn van de patiëntenfederatie NPCF meldde bijvoorbeeld dat in 2006 al 75% van de patiënten behoefte had aan een vorm van electronisch consult. Het aanbod van e-consults blijft helaas achter bij de vraag. Natuurlijk, er zijn best voorbeelden te vinden. Bijvoorbeeld FaceTalk van UMC Radboud en het Webspreekuur van St. Antonius Ziekenhuis, maar het wil nog niet echt vlotten.

Er zijn natuurlijk wel wat hobbels te nemen. Als er medische gegevens over internet gaan, is een en ander dan wel goed beveiligd? De businesscase rondbreien, is ook geen sinecure. Vaak blijkt dat er zonder subsidie onder de streep geen zwarte cijfers kunnen worden geschreven bij de exploitatie van ehealth-toepassingen. Dus zal het vaak gaan zoals in UMC Groningen: ‘Wie iets nieuws wil, die betaalt dat zelf’. Maar dan blijkt de patiënt toch aan het kortste eind te trekken, omdat zorgverleners meer baat hebben bij gegevensuitwisseling tussen zorgverleners dan bij een goed geïnformeerde patiënt.

Dit voordeel voor de zorgverleners zal dan wel in geld zijn uitgedrukt. En misschien – als het om geld gaat – is inderdaad een vorm van (regionale? landelijke?) samenwerking noodzakelijk. Want als iedereen de hele kolom van ontwikkeling, implementatie en exploitatie moet betalen komen we er niet. Kunnen we de ontwikkeling van eHealth-toepassingen opknippen, zodat bijvoorbeeld de overheid begint met financiering van de infrastructuur, zodat we daarop kunnen beginnen te bouwen? Of moeten we nu snelle kleine stapjes nemen om iedereen in de keten te laten wennen aan een nieuwe vorm van interactie tussen patiënt en zorgverlener, en is eHealth over vijf jaar een commodity geworden? Een handelsartikel dus, dat we gewoon op de vrije markt kunnen inkopen?

Alle presentaties van het genoemde seminar zijn op de website van Nictiz te vinden.

Betrokken patiënt leidt tot lagere zorgkosten

Patiënten delen zichzelf een steeds grotere rol toe in de zorgmarkt, door zich goed te informeren op internet. Als de zorgverlener hier goed mee om kan gaan, betekent dit misschien wel een rem op de almaar stijgende zorgkosten. Dat kan geconcludeerd worden uit de diverse praktijkcases die vorige week werden gepresenteerd op het eHealth-congres van Emerce in Pakhuis De Zwijger.

Neem de ePatient serieus

De patiënt van de 21ste eeuw wacht niet af tot zijn dokter hem verteld wat er aan schort. Dr. Google is altijd bereikbaar en kent geen wachttijden. Het is dus niet verrassend dat het overgrote merendeel van mensen met een medisch ongemak zijn heil zoekt op internet om informatie over zijn (vermeende) aandoening op te zoeken. En er is veel te vinden, maar vooral ook veel niet onderbouwde informatie en een vrachtlading aan persoonlijke verhalen in relatie tot die aandoening. Zorgverleners die deze trend serieus nemen, en er iets tegenover zetten, zijn de voorlopers in de medische revolutie.

Drie jaar eHealth in Mayo Clinic

De Amerikaanse Mayo Clinic is een lichtend voorbeeld van deze revolutie. Al drie jaar ontplooit de kliniek activiteiten die onder de noemer eHealth kunnen worden geschaard. Los van allerlei activiteiten op sociale media (ze zijn al sinds 2007 aanwezig op Facebook!) zorgt Mayo Clinic voor een optimale dienstverlening via internet. Een aantal voorbeelden:

  • Er is een online service portaal waar asynchrone e-consults plaatsvinden. Het merendeel van de gebruikers van deze electronische consults is overigens ouder dan zestig jaar.
  • Sinds 2009 zijn alle lab-resultaten online beschikbaar voor patiënten.
  • Vanaf begin dit jaar zijn alle klinische notities die de arts maakt direct online beschikbaar voor de patiënt.
  • Zelfs de de resultaten van pathologisch en radiologisch onderozek zijn beschikbaar, weliswaar pas na 72 uur, om te zorgen voor degelijke en ondubbelzinige informatievoorziening.
  • Op Second Life (ja, dat bestaat nog!) zijn inmiddels 180 presentaties gegeven over gezondheidsinformatie in een virtuele conferetiezaal, maar er worden ook gesprekken gefaciliteerd tussen zwangere vrouwen, waarbij het mogelijk is om ook een coach in het gesprek te betrekken.

Al deze activiteiten passen bij de missie om tegen lage kosten efficënte zorg te verlenen. En het werkt. Het is daarbij niet zo dat patiënten in plaats van Google nu de e-consults gebruiken om de hele dag aan informatie over hun medische toestand te komen. Integendeel. Spreker op het congres en arts Interne Geneeskunde Sidna Tulledge-Scheitel vertelde dat ze van haar zeshonderd patiënten hooguit twee keer per dag een electronisch bericht krijgt. Zij noemt deze ontwikkelingen waarbij het ziekenhuis online bereikbaar en aanspreekbaar is overigens geen technologische revolutie maar een service-revolutie.

Betrokkenheid leidt tot beter behandelingsresultaat

Sprekers als Sebastiaan Foppema van het bekendste patiëntenforum PatientsLikeMe en William Valkenburg van FocusCura kunnen de waarde van betrokken patiënten alleen maar onderschrijven. PatientsLikeMe bevat een schat aan informatie. Niet alleen voor patiënten met vaak chronische aandoeningen die naast hulp en informatie hun wel en wee met elkaar delen om zo te zorgen voor verlichting – gedeelde smart is halve smart – maar ook voor bijvoorbeeld huisartsen. Die willen graag toegang tot de gedeelde informatie van hun eigen patiënten. Op die manier zijn ze beter op de hoogte van de fysieke toestand van hun patiënt en kan er gerichter en efficiënter zorg worden verleend. Volgens William Valkenburg leidt het serieus nemen van het online gedrag van patiënten en het betrekken van deze patiënt bij zijn eigen behandeling uiteindelijk zelfs tot betere therapie- en medicijntrouw met een beter behandelingsresultaat als uitkomst.

Online apotheek-portaal succesvol

Een mooie eHealth-case uit eigen land is het online zorgportaal van Kring-apotheek. Apothekers zijn voor veel chronische patiënten de intensiefste gesprekspartners. Het is dus van belang dat zij als geen ander volledig op de hoogte zijn van de gezondheidstoestand van hun cliënten. Maar in de hectiek aan de balie is het soms eenvoudiger direct het herhaalrecept mee te geven dan een gesprek aan te knopen, omdat er nog zes anderen in de rij staan. Kring-apotheek heeft daarom een online omgeving ontwikkeld – Mijnkring-apotheek – waarin zowel de patiënt als de apotheek gegevens invoert over het medicijngebruik en eventuele bijwerkingen. Er wordt zo een database opgebouwd, op basis waarvan de apotheek met CRM-analyses vroegtijdig anomalieën kan detecteren en cliënten kan oproepen voor een contactmoment of onderzoek om eventueel de medicijnverstrekking aan te passen of extra uitleg te geven over juist medicijngebruik. Bovendien komen er ook onvermoede zaken aan het licht, zoals patiënten die melden dat ze hun twee jaar geleden verstrekte morfine nog steeds af en toe gebruiken, maar dit niet terugzien in hun online dossier.

Al met al leidt deze aanpak tot een grotere medicatie-veiligheid, effectief gebruik van medicijnen en bovendien blijkt het tot een betere therapietrouw te leiden. Vanuit het oogpunt van efficiency een enorme vooruitgang. Weliswaar leidt therapietrouw tot een verhoging van de medicijnkosten, maar aan de andere kant kan het vermijden van verkeerd medicijngebruik leiden tot een vermindering van de jaarlijks 18.000 ziekenhuisopnamen ten gevolge hiervan.

Conclusie

In het licht van de verandering van de gezondheidszorg, waarbij het systeem van handelsmarges voor apothekers failliet is, waarbij de vergoeding nog slechts plaatsvindt op basis van de effectiviteit van de geleverde zorg en waarbij de financiering van de zorg in het algemeen een hoofdpijndossier is van de politiek, lijkt de opmars van eHealth-oplossingen de enige uitweg. Nu maar hopen dat deze ontwikkelingen ook snel in de bestuurskamers van zorginstellingen worden omarmd, want op eHealth waren die bestuurders in ieder geval niet aanwezig.

Alle presentaties van het eHealth-congres zijn op Slideshare te vinden

Het is de zorg een zorg

Zorg 2.0 is onder internetprofessionals al bijna een stoffige term, maar in de zorgsector zijn er slechts enkelen die het belang van een patiëntgerichte tweeweg-communicatie inzien. Vorige week publiceerde de artsenfederatie KNMG een Handreiking voor het gebruik van Social Media door artsen’, een voorzet voor een socialmedia-beleid dat zorginstellingen kunnen instellen. De KNMG maakt zich sinds de oprichting in 1849 sterk voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening van artsen, en het is dus prachtig om te zien dat het gebruik van sociale media nu ook wordt bijgevoegd in het rijtje Meldcode Kindermishandeling, Steun en Consultatie bij Euthanasie en Beroepsgeheim&Politie/Justitie.

Maar is de zorgsector al zover? Ik vraag het me af. Natuurlijk zijn er mensen als Lucien Engelen en instellingen als het Radboud Ziekenhuis, die er alles aan doen om de patiënt centraal te stellen en de bewezen technieken van social media toepassen in de dagelijkse praktijk. Maar net zo vaak kom je het tegenovergestelde tegen. In de tweets van Lucien verbaast hij zich er vrijwel dagelijks over. Zelf heb ik in gesprekken met een aantal specialisten van diverse ziekenhuizen ook gemerkt dat er meer krachten spelen dan alleen de wens om klantgericht te opereren (om het maar eens plastich te benoemen:)

Twee voorbeelden om dit te illustreren:

  1. Op mijn vraag of het niet een mooie geste zou zijn om patiënten de mogelijkheid te bieden per e-mail contact te zoeken met zijn specialist, was het antwoord: ‘Nee joh, dan zit ik de hele dag te e-mailen’. Dat eventueel de acht telefonistes die nu vragen van patiënten beantwoorden en soms op briefjes (papier!) aan hem doorspelen, dit ook voor een deel voor hun rekening zouden kunnen nemen, kwam niet in hem op. Een andere specialist zei dat-ie dat alleen toestond voor ‘CEO’s en dergelijke die veel op reis zijn, en even mail-contact willen vanuit de USA.’
  2. Een voorstel om de voorlichting die nu in zaaltjes in het ziekenhuis aan een beperkt aantal geïnteresseerden wordt gegeven (ook) online te brengen, bijvoorbeeld met een videostream en interactiemogelijkheden voor de kijker, werd op zich goed ontvangen. Het potentiële bereik is groter, de deelname laagdrempeliger. Waarom de neuroloog in kwestie het toch niet zou doen, was de mores van de orde van neurologen. Wie was híj om te denken dat hij online een beetje goede sier kon maken met de specialistische kennis van het vakgebied. Iedereen weet dat er maar één de beste neuroloog was, en dat was hij in ieder geval niet.

Angst voor het onbekende, angst voor de vakgenoten, en de onzekere factor van de patiënt die opeens wel heel dichtbij komt als ze terug kunnen praten, lijken op dit moment hogere drempels dan we als voorvechters van Zorg 2.0 kunnen overzien. Dan is een handreiking van de KNMG een goed begin, maar bij nadere inspectie is het de volle 19 pagina’s een vertaling naar Twitter van de gedragscode die artsen offline sowieso al hanteren.